De paardenkastanje op de hoek van de Oosterweg en de Moeshorn, de fraai gekroonde keizer onder zijn soortgenoten in Noordhorn, zucht onder ongewoon zomerse omstandigheden.
‘Dit gijt je niet ien e kolle kleren zitten…’ hoor je de oude baas brommen. Er hangt ook iets mats rond zijne majesteit die rijkelijk vruchten draagt, maar niet garandeert dat de vruchten volgroeien. Spelende kinderen, verpozende ouders, ze maken dankbaar gebruik van de schaduw van de reus, die nog geen krimp geeft, maar wel degelijk dorstig is. ‘
En aal die buien goan over Stad of richting Butenpost, der komt ja niks van….’
De regerende vorst schudt nog eens zijn bladeren, de morgenwind brengt tenminste enige verkoeling. Komt er een jochie aangeslenterd: ‘Nog even volholden, opa, venommedag krigst wat te drinken, of aans venoavend wel’.
De gefluisterde woorden worden, nauwelijks hoorbaar meegevoerd door een zuchtje wind, bij de kastanje afgeleverd. Ontroerd hoort de boom de boodschap, er valt een blad….
foto: ©janblaauw, juli 2008

Hé olle, nait soezen, Stad het ook niks had heur.